Menu:

Fabeldieren

Omdat veel heksen gek zijn op sprookjes, verhalen en mythen, heb ik besloten om een pagina over fabeldieren te maken. De informatie van deze pagina komt grotendeels uit het boek: De werkelijke wereld van Harry Potter, geschreven door Allan Zola Kronzeck en Elizabeth Kronzeck. 

Centaur

De sombere en filosofisch aangelegde centaurs die in Harry Potter voorkomen lijken totaal niet op de centaurs uit de Griekse Mythologie, die veel ruwer waren. Ze leefden in kuddes in de bergen van Noord-Griekenland en waren wild en losbandig. Deze centaurs, half man, half paard, waren prachtig om te zien, maar waren dol op drinken, vechten en het verleiden van menselijke vrouwen. Toen hun buurman, Koning Pirithous van Lapithae, hen eens had uitgenodigd voor zijn huwelijk, vielen de dronken centaurs zijn vrouwelijke gasten lastig, probeerden ze de bruid te ontvoeren en begonnen ze een bloedig gevecht met de gastheer en zijn medestanders; ze verloren het gevecht, tot opluchting van iedereen in de omgeving. Net als in elke omvangrijke familie waren er enkele centaurs die zich afzetten tegen de wilde levensstijl van hun familieleden en de voorkeur gaven aan een leven van deugdzaamheid, leergierigheid en bedachtzaamheid. De bekendste van hen is Cheiron, die als leraar en mentor veel jongemannen begeleidde die voorbestemd waren om een grote rol in de geschiedenis te spelen, onder wie Hercules, Achilles (de held uit de Trojaanse Oorlog), Jason (Kapitein van de Argo) en Asclepius (god van de geneeskunde). Cheiron werd genoemd om zijn wijsheid en rechtvaardigheid en was een expert op het gebied van geneeskunde, jacht, kruidenkunde en stuurmanskunsten langs de hemellichamen. Hij beoefende ook astrologie en waarzeggerij. Gezien het feit dat Ronan, Ban en Firenze in de sterren de toekomst kunnen lezen vermoeden we dat deze centaurs afstammen van Cheirons tak van de familie. Volgens de mythologie had Cheiron tot in lengte van dagen kunnen doorgaan met het lesgeven aan jonge helden, want hij was onsterfelijk. Toen hij per ongeluk werd verwond door een giftige pijl die toebehoorde aan zijn vriend Hercules, koos hij ervoor zijn onsterfelijkheid op te geven. Toen de pijn ondraaglijk werd, vroeg hij Zeus toestemming om te mogen sterven. Zeus stemde hierin toe, maar maakte Cheiron alsnog onsterfelijk door hem als sterrenbeeld Centaurus (boogschutter) aan de hemel te plaatsen.

Draken


De helden uit westerse legenden hebben een uitgebreide verzameling kwade geesten en monsters tegenover zich gezien, maar slechts een enkeling heeft de machtisgte van hen allen durven uitdagen: de gigantische vuurspuwende draak.

De draak was niet zomaar een vijand en vertegenwoordigde in veel verhalen de laatste stap in de speurtocht van de held naar eer en roem. Draken hebben voor het overgrote deel van de geschreven geschiedenis een rol gespeeld in mythe en folklore. In het Westen kwamen ze voor in de oudste literatuur van Babylonie, Egypte, Griekenland, Rome, Duitsland, Scandinavie en Groot-Brittannie en Ierland. De lijst van dappere strijders die met draken hebben gevochten lijkt wel een wie is wie van helden. De Romeinse held Hercules wist in zijn lange carriere verschillende draken te verslaan, waarvan de bekendste de Hydra was met zijn negen giftige koppen. Verschillende babylonische krijgers zijn de strijd aangegaan met Tiamat, een draak die ook bekendstond als de Koningin der Duisternis, en de kop en voorpoten van een leeuw had, de achterpoten van een adelaar, gevederde vleugels en een geschubd lichaam dat tegen alle wapens bestand was. De Noorse god van de donder Thor, bezweek aan het gif van de Midgardslang, een enorme draak die de hele aarde omvatte, maar pas nadat hij het beest een dodelijke klap had toegebracht. Beowolf, die word beschouwd als een van de eerste helden uit de Engelse literatuur, moest het gevecht met een draak ook met de dood bekopen. Voor middeleeuwse ridders was de drakenjacht een zeer gebruikelijk tijdverdrijf.

Uiterlijke beschrijvingen van draken blijven van verhaal tot verhaal redelijk consistent. Draken werden over het algemeen beschreven als enorme slangen (het Griekse woord drakon betekent 'grote slang'), hadden vaak ondoordringbare schubben, een of twee paar poten en een paar vleermuisachtige vleugels. De meeste hadden wigvormige koppen en lange, soms giftige snijtanden. Somminge draken hadden een stel hoorns, geweldige klauwen en een gevorkte of stekelige staart. Welshe draken waren vaak rood, Duitse wit en weer andere zwart of geel.

Vrijwel alle draken hadden een ding gemeen: hun verzengende adem. De enorme vuurballen die deze wezens op elk willekeurig moment konden uitpsuwen, vormden niet alleen een bedreiging voor dappere ridders: ze konden in een klap een heel land vernietigen! Zelfs wanneer een held slim genoeg was om de vlammen te ontlopen en zijn vijand had verslagen, kon een draak ook na zijn dood nog een gevaar zijn. Het bloed van de draak zou bij aanraking dodelijk zijn en wanneer de tanden van een draak ik de aarde werden gepoot, zou er een groep gewapende en bloeddorstige krijgers ontstaan. (Tegenwoordig zien we die betekenis terug in de militaire term 'drakentanden' voor antitankversperring)


Eenhoorn


Slechts weinig dieren, of ze nu echt zijn of denkbeeldig, spreken zo tot de verbeelding als de eenhoorn. Sinds het dier meer dan tweeduizend jaar geleden voor het eerst door de Griekse arts Ctesias beschreven, hebben mensen de eenhoorn voortdurend beschreven, geschilderd, gebeeldhouwd en er jacht op gemaakt, onderwijl voortdurend ruziend over de vraag of het dier echt zou bestaan.

De eenhoorn die in de Oudheid zijn beschreven, lijken weinig op de edele, onschuldige en zuivere wezens die in het verboden bos bij zweinstein wonen. Volgens Ctesias kwam de eenhoorn oorspronkelijk uit India. Het dier was ongeveer zo groot als een ezel, had een donkerrode kop, een wit lichaam, blauwe ogen en een enkele hoorn van ongeveer vijftig centimeter lang die uit zijn voorhoofd stak. De hoorn had een witte basis, een zwart middenstuk en een vuurrode punt en bezat een opmerkelijke eigenschap. Wanneer hij van zijn eigenaar werd gescheiden en als drinkbeker werd gebruikt, beschermde hij iedereen die eruit dronk tegen alle gifsoorten, stuiptrekkingen en epilepsie. Het was echter niet gemakkelijk om aan dergelijke bekers te komen omdat de eenhoorn dankzij zijn snelheid, kracht en boosaardige karakter moeilijk te vangen was. In de daaropvolgende eeuwen nam het geloof in het ongrijpbare wezen toe, hoewel bewijs van zijn bestaan nogsteeds geleverd moest worden.  Aristoteles en Julius Ceasar beschreven beiden eenhoornige dieren en werden als autoriteiten aangehaald. De Romeinse naturalist Plinius voegde enkele details toe over de verschijning van de eenhoorn en gaf hem een hertenkop, olifantenpoten, de staart van een wild zwijn en een zwarte hoorn van een meter lang. (Latere schrijvers suggereren dat de eerste beschrijvingen van eenhoorns waren gebaseerd op misleidende beschrijvingen van de Indiase neushoorn of ontmoetingen met twee hoornige dieren als geiten of steenbokken die een profil waren gezien of een hoorn waren kwijtgeraakt.) Plinius bevestigde ook het wilde karakter van de eenhoorn en zei dat het dier een diep, galmend geluid maakte. 

In de Middeleeuwen ontwikkelde het beeld van de eenhoorn zich van een mengeling van verschillende dieren, zoals beschreven door de oude schrijvers, tot het elegante wezen dat we tegenwoordig kennen. Schilderijen en wandkleden uit die tijd beelden een schitterend, wit, paardachtig dier af met een gedraaide, zuiver witte hoorn en de gespleten hoeven van een hert. In de literatuur werd de eenhoorn het symbool van kracht, macht en zuiverheid. Het dier kreeg eveneens een plaats in de christelijke symboliek en ging deel uitmaken van de koninklijke wapens van Engeland en Schotland. Eenhoorns speelden een rol in de legenden rond Koning Arthur, sprookjes en geromantiseerde beschrijvingen van de avonturen van Djengis Chan en Alexander de Grote.

Fee:

Feeen of "goede buurtjes" vormen een uitgestrekte internationale gemeenschap van onsterfelijke, bovennatuurlijke wezens die slechts zelden door mensen worden gezien. Hoewel de Britse versie het bekendst is, spelen deze magische wezens een hoofdrol in de folklore van landen over de hele wereld, van Zweden tot Iran en China. De meesten van ons kennen feeen uit moderne kinderverhalen, waarin ze vaak verschijnen als kleine, vrolijke mensen met een hart van goud. In vroegere eeuwen betrof het geloof in feeen een zeer uiteenlopende hoeveelheid van kleine en grote wezens, akelig of lief, angstaanjagend of grappig, mooi of oerlelijk: van het moordlustige roodkopje uit de Schotse grensgebieden tot de vriendelijke petemoei van Assepoester.

Het woord 'fee' komt van het Latijnse fata, dat verwijst naar de mythische schikgodinnen, drie vrouwen die de draden des levens spinnen en het lot van iedereen van de geboorte tot de dood in handen hebben. Men geloofde dat feeen net als de schikgodinnen actief deelnamen aan het leven van de mensen en dat ze hielpen wanneer hun dat zo uitkwam, maar ook veel pijn en ellende konden veroorzaken. In de Middeleeuwen kregen feeen de schuld voor een uiteenlopende reeks lichamelijke klachten, van huiduitslag tot tuberculose. Blauwe plekken, krampen en reumatische pijnen werden toegedicht aan de knijpende vingers van boze, onzichtbare feeen. Mensen die een hartaanval kregen, verlammingsverschijnselen vertoonden of een mysterieuze ziekte hadden, zouden het elfenschot hebben: alsof ze door een onzichtbare elfenpijl waren verwond. Moeders werden gewaarschuwd hun pasgeboren baby nooit uit het oog te verliezen, omdat een fee het kind zou kunnen stelen en er als wisselkind een ziekelijke feeenbaby voor in de plaats zou kunnen leggen.

Halverwege de zestiende eeuw had de angst voor feeen plaatsgemaakt voor de angst voor heksen en hoewel feeen nog steeds net zulke streken en kattenkwaad konden uithalen als Zombelaars, werden ze nu eerder beschouwd als welwillende en gewoonlijk denkbeeldige, vrolijke wezens die de mens goed gezind waren. Er zijn heel veel verschillende sprookjes over koninkrijken in bossen die worden bewoond door kleine, in prachtige blauwe, groene, gouden stoffen geklede wezens. Hoewel ze doorgaans veel lijken op zeer mooie mensen, kunnen feeen wanneer ze maar willen ook de gedaante aannemen van dieren of onzichtbaar worden. Ze zijn dol op muziek en dansen in het maanlicht rond paddestoelen onder begeleiding van kleine fluiten en harpen. Van verschillende oude  Schotse volksliedjes wordt wel gezegd dat het feeenmelodieen zijn die werden geleerd aan sterfelijke fluit- of doedelzakspelers die door de prachtige melodieen naar feeenland waren gelokt.